Duinlandschap

Soort werk: 
Datering: 
1926

Jan ten Have ging al op zijn twaalfde jaar naar de Academie Minerva. Zijn leermeesters waren Bach, Kort, De Wit, en De Vries. Hij studeerde er in de periode 1915 - 1922. en heeft zich ontwikkeld tot schilder, graficus en glazenier. Hij heeft zijn hele leven kunst geproduceerd zonder dat hij daarvan hoefde te bestaan. Samen met zijn broer leidde hij namelijk de “Gebr. ten Have Lichtreclamefabriek” in Groningen. Zij zijn daarmee begonnen in 1923 , in een tweemansbedrijfje waarin Jan de ontwerpkant voor zijn rekening nam Na verloop van tijd gaven zij echter werk aan ruim tachtig mensen.

Tot aan zijn tachtigste jaar was Ten Have actief als kunstenaar. In 1926, toen dit vroege werk ontstond, was hij aspirant-lid van De Ploeg.

Heeft de eigenaardige kleurstelling in “Duinlandschap”daarmee te maken? Kennelijk vond Ten Have toen nog geen aansluiting bij deze kunstenaarskring. Hij trad pas in 1950 toe als werkend lid. Deze kunstenaar timmerde niet echt aan de weg. Zijn kunstenaarschap was vooral een vrijetijdsbesteding, maar een die wel van groot belang voor hem was. Hij heeft vrij dikwijls geëxposeerd. Ten Have heeft zijn werk altijd goed kunnen verkopen. Toch heeft hij ruim honderd schilderijen en grafische werken nagelaten. Deze zijn in 2008 overgedragen aan onze stichting. Ten Have was geen man voor grote reizen. Hij vond voldoende inspiratie in de schoonheid van de wereld direct om hem heen. Het liefst trok hij naar buiten om te kijken en te werken Soms leverde dit krachtige, directe schetsmatige schilderijen, soms ook maakte hij notities die hij thuis uitwerkte tot kleurrijke expressieve schilderijen of tot fijnzinnige grafiek.

Het werk “Duinlandschap” van Ten Have trekt onmiddellijk de aandacht. Maar is het wel een landschap? Per slot is het eerste dat opvalt één hoog duin. Een deel ervan is ingestort, of afgegraven.. Het resultaat is een vrij steil oplopende zandvlakte. Eigenlijk zien we een half duin. Niets op het schilderij geeft een indicatie van de hoogte van dat duin en daardoor valt ook niet te schatten hoever de schilder verwijderd was van zijn object. Het gezichtspunt van de schilder ligt laag. Rechts naast het duin zien we horizon, links golft het terrein. Daar groeit waarschijnlijk heide.

Heeft Ten Have op een laag krukje zitten observeren, en lag het duintje vlakbij? Of stond hij een eind verderop, en hebben we met een hoge duintop te maken? Blauwige struiken en bomen zie je in de natuur alleen maar bij een bepaald licht dat valt op vrij ver verwijderde begroeiing. Het kleurgebruik doet vermoeden dat de afstand toch vrij groot is, en dat de golvende ruimte ervoor, met zijn eigenaardige, maar aantrekkelijke kleuren, het landschap moet zijn, dat door het duin is afgesloten. Starend naar dit werk, en onszelf deze vragen stellend, zien we dat Ten Have zijn verven steeds zwaarder heeft aangezet met het toenemen van de afstand. De zware accenten verdwijnen weer in het ijle van de lucht. Blijft nog de vraag naar die eigenaardige licht begroeide donkere massa (teeltaarde?) die de zandvlakte scheidt van een andere, die de top uitmaakt.

Bron betreffende de schilder:
Cees Hofsteenge: De Ploeg 1918-1941, De hoogtijdagen,B&P, 1993, pag 195.
Abel Veen: Opening tentoonstelling ‘Jan ten Have’ in Haren, 1996 Zie ook de rubriek “Actueel” op deze site.

Frédérique van der Palm