Judith

Soort werk: 
Datering: 
1947
Afmetingen: 
60x50 cm

Coen Schilt (Groningen 1907-Groningen 1990) woonde en werkte – met een korte onderbreking – zijn hele leven in de stad Groningen. Hij volgde cursussen aan de academie Minerva, waar hij les kreeg van A.W. Kort, C.P de Wit en W. Valk. In 1935 haalde hij aan de academie de onderwijsbevoegdheid. In hetzelfde jaar begon hij met schilderen en beeldhouwen. De hoogtijdagen van de Groningse kunstenaarsgroep De Ploeg waren al een aantal jaren voorbij, hoewel er nog altijd veel schilders waren die in de trant van bekende ploegers als Jan Altink of Jan Wiegers schilderden. Het heftige, emotionele kleurgebruik, de forse toets en de deformatie van de vorm, zo kenmerkend voor het Gronings expressionisme uit die tijd, lagen Coen Schilt echter niet.

Hij vond veel meer aansluiting bij andere, in de jaren dertig opkomende kunststijlen als het surrealisme of het magisch realisme. Hoewel Schilt ongetwijfeld geïnspireerd is geraakt door schilders als Giorgio de Chirico of Modigliani, bezat zijn werk vanaf het begin een eigen karakter. Het is niet, zoals we bij schilders als J. H. Moesman of Pyke Koch zien, bizar en zeker niet wreed of cynisch. Schilt tekende, schilderde en beeldhouwde mysterieuze figuren. Het hoofdbestanddeel van deze figuren wordt gevormd door gestileerde vrouwen. Vrouwen die ons, net als de hier afgebeelde Judith, met wijd opengesperde ogen aankijken, maar waarmee we geen contact hebben. En vrijwel altijd staan ze groot en dwingend in een lege ruimte. Het zijn koele, introverte vrouwen die een zekere ongenaakbaarheid uitstralen. Schilt zette ze in opvallende kleuren, afwijkende proporties en met een eigenaardige expressie op doek.

Dezelfde hooghartige afwijzing beheerst ook Schilts beeldhouwwerk. In zijn schilderijen is Coen Schilt ook eigenlijk meer beeldhouwer dan schilder; zijn schildertoets heeft meer weg van het zorgvuldig bewerken van een stuk steen of marmer met een beitel of hamer dan met het handschrift van een schilder. Het leven van Coen Schilt als beeldend kunstenaar valt in twee periodes uiteen. De eerste periode duurde van 1935 tot 1954. In dat jaar hield hij op met schilderen, tekenen en beeldhouwen en vanaf die tijd tot 1973 werkte hij onder andere als vormgever voor scheepswerven in Groningen, en Delfzijl. En gaf hij les aan de opleiding voor kleuterleidsters in Groningen.

De laatste vijftien jaar van zijn leven was hij weer productief als beeldend kunstenaar. En ook in die periode vormden als in meditatie verzonken, gestileerde vrouwen het hoofdbestanddeel.

Francis van Dijk

Literatuur: Francis van Dijk, Leraren van de Academie Minerva. Een keuze uit twee eeuwen kunst en kunstonderwijs in Groningen, 1998 Groningen, pp. 96-98.