Schenking Richard ter Borg

De SBBKG heeft in 2012 een schenking ontvangen van de heer Richard ter Borg. De schenking betreft werken van de kunstenaar Marius Holleman (1878-1926). Het gaat om negen originele etsen, zeven reproducties van etsen, drie grote pentekeningen van landschappen uit 1916 en een Franse editie “Marius Holleman. Oeuvre posthume.” van de publicatie uit 1930 door H.P. Bremmer, de vermaarde kunstpedagoog. Deze schenking betekent een mooie aanvulling op de twintig etsen en twee pentekeningen die de stichting reeds van Marius Holleman in bezit heeft. De SBBKG heeft in 1996 een expositie gewijd aan deze vrijwel vergeten schilder en etser en gaf een monografie uit, verzorgd door Piet Spijk en Cees Hofsteenge, onder redactie van prof.dr. H.J.W. Drijvers. 

Marius Holleman, geboren in 1878 te Oisterwijk als jongste van een gezin met acht kinderen, was volgens de familietraditie voorbestemd tot een wetenschappelijke carrière. Hij studeerde dan ook af in Delft als chemisch ingenieur en vestigde zich in 1903 in Groningen. Hier werd hij assistent op het laboratorium van zijn broer, die hoogleraar Organische en Anorganische chemie was aan de Rijksuniversiteit. Een langdurig bezoek in 1904 aan Parijs met zijn talrijke musea deed hem plotseling besluiten zijn leven voortaan aan de beeldende kunsten te wijden. Tot ontsteltenis van zijn familie zei hij de wetenschap voorgoed vaarwel. Toch bleef zijn kennis van de chemie een belangrijke rol spelen in zijn kunstzinnige carrière, aangezien hij zich intensief bezig hield met de chemische aspecten van de techniek van het schilderen en het etsen. Hij ontwikkelde op beider terreinen nieuwe technieken en schreef er lijvige manuscripten over.  Marius Holleman was vervuld van de Renaissance en deze periode was dan ook zijn grote inspiratiebron. Om zich de stijl van de Renaissance eigen te maken, bestudeerde hij boeken en tekende hij de werken van de grote Renaissance kunstenaars na. Hij maakte allerlei kopieën naar Holbein, Dürer, Michelangelo en Da Vinci. In zijn vrijere werk koos hij voor mythologische en bijbelse onderwerpen. Deze opvallende keuze voor de Renaissance stijl betekende dat Holleman volledig zijn eigen weg zocht in de beeldende kunst zonder enige beïnvloeding van eigentijdse collega’s. Het leverde hem in zekere zin een isolement op. Wel was hij in 1912 lid geworden van de schildersvereniging ‘De Onafhankelijken’. Van 1914 tot 1916 zond hij werken in voor hun voor- en najaarstentoonstellingen in Amsterdam. De eerste jaren van zijn kunstenaarsschap waren gewijd aan studie en oefening. Tussen 1908 en 1916 schilderde en tekende hij voornamelijk, vanaf 1917 legde hij zich helemaal toe op de etstechniek en ontstaat er een grafisch oeuvre.

Van groot belang voor zijn ontwikkeling als kunstenaar is het contact geweest dat hij had met de kunstpedagoog H.P. Bremmer. In Bremmer vond hij een deskundige gesprekspartner en een gerespecteerde autoriteit in de wereld van de kunsten. Dankzij hem werd het werk van Holleman door recensenten serieus beoordeeld. Het was Bremmer die, overeenkomstig Hollemans wens, na diens dood een publicatie verzorgde over zijn werk: In 1930 verscheen ‘Marius Holleman. Nagelaten Werk.’ Door toedoen van diezelfde Bremmer is het grootste en belangrijkste gedeelte van zijn schilderijen en tekeningen (76 werken) in de collectie van mevrouw Kröller-Müller terecht gekomen, nu behorend tot het Kröller-Müller museum. Het totale aantal schilderijen en tekeningen dat bekend is bedraagt 127. Van Hollemans grafische oeuvre zijn 270 werken, alle etsen, bekend. Een volledige serie afdrukken is conform zijn testament geschonken aan het Rijksprentenkabinet en aan het Prentenkabinet van de Leidse Universiteit. Marius Holleman was pas 47 toen hij in 1926 na een langdurig ziekbed overleed. Het experimenteren met chemicaliën om nieuwe etstechnieken te ontwikkelen had zijn longen en ingewanden aangetast.   Hoe werd het werk van Marius Holleman in zijn tijd beoordeeld? Als schilder voelde hij zich erkend, noch begrepen. Zijn werk werd weinig opgemerkt. Tijdgenoten, Roland Holst en Plasschaert omschreven hem als ‘Archaïsant’ en constateerden dat “Holleman een ent aan de stam van de Renaissance is gebleven, hij wortelde niet zelfstandig’. De schrijvers van de monografie over Holleman: Spijk en Hofsteenge, concluderen in het laatste hoofdstuk dat “ Holleman net niet die artistieke kwaliteiten en scholing had om wat hij wilde zeggen in zijn grote werken overtuigend over te brengen. Zijn ets- en schildertechnische vindingen misten de aansluiting bij de praktijk.”  Wèl verrast en verwart hen het weerbarstige en mysterieuze in het werk van Holleman, als zij er na zoveel jaren weer voor het eerst mee kennis maken….   Frédérique van der Palm, november 2012   Bron: Marius Holleman. Een echo van de Renaissance. Piet Spijk en Cees Hofsteenge, onder redactie van Prof.Dr. H.W.J. Drijvers B&P, 1996. Uitgave van de SBBKG